| ma | di | wo | do | vr | za | zo |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 |
| 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 |
| 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 |
| 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 |
Rotterdam, vrijdag –
Ben ik met opzet nooit lid geworden van een politieke partij, blijk ik het
sinds 1977 te zijn. Dat is tenminste het aanmeldingsjaar zoals vermeld op mijn
lidmaatschapspasje van de anwb.
Minister Eurlings laat
van de mening van de vier miljoen leden van die club afhangen of de
kilometerheffing er wel of niet komt. Staatsrechtelijk gezien een eigenaardige
gang van zaken. Je zou denken dat de anwb-leden
allang in het parlement zijn vertegenwoordigd en dat hun opvatting er daar
evenveel toe doet als die van Nederlanders die geen lid zijn van de anwb.
Waar hebben we een
Tweede Kamer voor als we het net zo goed aan de anwb
kunnen vragen? Het maandblad van de anwb
heet De Kampioen – dat zal toch niet voor niets het wat oplage betreft grootste
tijdschrift van Nederland zijn? Laat de anwb
ook een omroeplicentie aanvragen: in één klap de grootste.
Dus voortaan bij alle
grote beslissingen: vraag het de anwb.
Misschien was een groot aantal blunders – ik noem: Betuwelijn, Noord-Zuidlijn –
dan achterwege gebleven.
Moet de Nederlandse
vredesmissie in Afghanistan toch worden verlengd? Moet de aow-gerechtigde
leeftijd worden verhoogd naar 67? Moet de strippenkaart worden afgeschaft?
Laat de leden van de anwb de knoop doorhakken. Dat ontslaat
de betrokken bewindslieden van de verantwoordelijkheid om een weloverwogen,
misschien zelfs juiste beslissing te nemen, want four million anwb members can’t be wrong.
Rotterdam, zaterdag –
Uit een boek trok ik een notitieblaadje. Ik heb er een gewoonte van gemaakt om aantekening
te maken van opmerkelijke passages die ik al lezend tegenkom. Hier had ik geen
bladzijdenummer genoteerd en ik kon het geciteerde niet plaatsen in het boek
waarin ik het blaadje vond. Voor zover ik me herinnerde kwam daar helemaal
geen chauffeur in voor.
'Hé
chauffeur, je rijdt verkeerd. Je had linksaf gemoeten.'
'Kan
dat hier nog?'
'Nee,
daar kun je niet in.'
'Nou
ja, negenennegentig van de honderd keer gaat het goed.'
'Maar er staan misschien mensen te wachten op de drie haltes die je nu niet aandoet.'
'Die
hebben dan pech.'
Toen ik vanochtend
wakker werd, wist ik ineens dat deze dialoog zich op een druilerige middag werkelijk
had afgespeeld in bus 52 van Zeist naar Utrecht.
La Jouannière, vrijdag - In De avonden legt Frits van Egters uit hoe je een verhaal moet vertellen: 'Net als een krantenbericht. Eerst alles kort samengevat, dan het hele verhaal uitvoerig.' (Bladzijde 126, Verzameld werk, deel I, 1998.)
Op bladzijde 186 van de voortreffelijke biografie van Gerard Reve door Nop Maas wordt gememoreerd dat de schrijver in zijn tijd bij Het Parool veel heeft geleerd: 'Vooral het Wat, Waar en Hoe, dat zijn gulden regels, ook voor een echte schrijver. En ook, dat als je iets met 44 woorden kan zeggen, dan moet je er geen 60 gebruiken.' (Hier zou ik de woorden 'dat' en 'dan' hebben geschrapt - dat zijn er weer twee minder.)
Overigens hield de verslaggever Van het Reve zich niet altijd aan die gulden regels van de journalistiek. Maas citeert het begin van een reportage over het droogmalen van Walcheren waarvan in oktober 1944 door de geallieerden de dijken waren gebombardeerd. Dat verhaal begon zo: 'Uit de grijsgroene zee, die zich aan den horizon verliest in een staalkleurige wolkbank, verheffen zich geruischloos witgekuifde brandingrollers, om in statige loomheid op het eiland Walcheren aan te schuiven, maar zij loopen met donderend geraas te pletter tegen de dijken, want de tijden zijn voorbij, dat het water in woedende golven door gapende gaten het land achter de dijken binnenkolkte.'
Het verhaal stond op 11 december 1945 in de Dordtse editie van Het Parool. Twee jaar later bewees Reve met zijn debuut heel wat beknopter te kunnen schrijven.
Rotterdam, maandag – Bij
thuiskomst vond ik een kaartje in de bus: ‘Wij wensen u een grrrrandioos 2010’.
Afzender: Netwerk VSP. Nooit van
gehoord. Vanaf de achterzijde bereikte mij een ‘feestelijke groet’ van ‘uw
trouwe bezorger’ die ‘er persoonlijk voor [zorgt] dat uw folders altijd bij u
op de mat vallen.’
Aha! Hij is het dus die
altijd die in plastic bij elkaar geraapte rotzooi waar ik niet om heb gevraagd
door de brievenbus kleppert.
Netwerk VSP blijkt deel
uit te maken van TNT Post en ‘is trots op de ruim 22.000 bezorgers en een
snelgroeiend aantal postbezorgers die zich ook dit jaar weer hebben ingezet voor
de verspreiding van folders, magazines, mailings en catalogi door heel
Nederland.’ Dat staat allemaal op dat ene kaartje, in steeds kleinere letters
natuurlijk.
Later vanavond werd er
aangebeld. Twee jongetjes, veertien, vijftien jaar, misschien niet eens. Eén laat
zo’n zelfde kaartje zien dat ik op de deurmat vond, maar dan flink verfrommeld.
‘Wij zijn uw bezorgers, meneer. Gelukk...’
Ze komen elk jaar
vroeger.
En het zijn niet alleen meer de
jongens die de krant bezorgen, maar ook de bezorgers van huis-aan-huisbladen
(die ons de rest van het jaar altijd overslaan
–
en gelukkig maar!) en tegenwoordig dus ook de
bezorgers van folders.
Het moet goddomme niet
gekker worden!
Rot op met je folders!
En dan komen er op 14
december jongetjes aan de deur die mij een gelukkig nieuwjaar wensen met in hun
ogen een blik die zegt: ‘Hier met die munten.’
Tieft op man!
Verzin iets anders!
Kunnen ze een stapel van
die kaartjes laten zien, vraag ik nog aan die gasten, want dat ene verkreukelde
exemplaar maakt niet echt een vertrouwenwekkende indruk. Nee, dit is toevallig net hun
laatste.
Na wat heen en weer
gepraat druipen ze af. (Het is pas naderhand dat ik zie dat ze worden
verondersteld deel uit te maken van TNT Post. Doet dat bedrijf aan
kinderarbeid?)
Maar het seizoen is dus weer
begonnen.
Rotterdam, donderdag –
Peter Drehmanns publiceerde al zeven boeken voordat ik hem opmerkte. Dat ligt
helemaal aan mezelf. Sinds de fusie van het Algemeen Dagblad (ik was medewerker
van de boekenpagina) met het Rotterdams Dagblad, in 2005, heb ik voor die krant
geen boek meer besproken. Pas afgelopen voorjaar hervatte ik mijn
recensiepraktijk, nu voor HP/De Tijd.
Niet dat ik al die tijd
geen boeken las, maar ik was niet beperkt door wat actueel was. Ik kon me
eindelijk door de stapel heen lezen die naast mijn bed was ontstaan.
Zijn nieuwe uitgeverij
Querido maakte mij attent op Drehmanns achtste boek, De begeleider. Mijn recensie heb ik gisteravond naar HP/De
Tijd gestuurd, hij komt in het nummer dat volgende week verschijnt.
In het boek laat Peter
Drehmanns zijn personages een paar opmerkingen maken over de Nederlandse
literatuur.
Op bladzijde 165 (over
de Zwitserse schrijver Robert Walser): ‘Nog wel eens wat anders dan dat
natteregenjassenproza en die steunzolenstijl van de Nederlandse literatuur!’
Die kan de Nederlandse literatuur in zijn zak steken, inclusief het
uitroepteken.
Op bladzijde 202: ‘En
als ze niet wandelt drinkt ze thee en leest ze boeken van Isabel Allende,
Marianne Frederiksson, Susanna Tamaro, Anna Enquist en Nelleke Noordervliet.
Boeken boordevol gevoelens en zoetelijke familiedrama’s. Slachtofferproza. Veel
relatieleed en veel pastelkleuren. Boeken waarin veel wordt gehuild. Boeken
waarin veel wordt gevoeld.’ (Die laatste zin zou ik hebben geschrapt want
dubbelop.)
Toevallig staat deze week mijn bespreking van het nieuwe boek van Nelleke Noordervliet, Zonder noorden komt niemand thuis, in HP/De Tijd.
Rotterdam, dinsdag – Wat
al een prachtige bijeenkomst was, de feestelijke uitreiking van de
Laurenspenning aan Sander de Kramer, donderdagavond in de Laurenskerk, krijgt
door het overlijden van Ramses Shaffy vanochtend een bijzonder randje. Het
blijkt de laatste keer te zijn geweest dat Shaffy in het openbaar optrad: hij
speelde een nummer op de vleugel.
Toen Sander begin
september in een Rotterdams café hoorde dat hem de Laurenspenning was toegekend
en dat hij bijgevolg zijn invloed mocht doen gelden op de samenstelling van het
feestprogramma, was de eerste naam die hij noemde die van Ramses Shaffy. Sander
is een groot fan van Ramses, ‘Laat me’ beschouwt hij als zijn lijflied.
Het leek mij toen in dat
café – ik maak deel uit van het bestuur van stichting De Laurenspenning; mij
viel de eer te beurt om samen met voorzitter Taco Noorman Sander te vragen of
hij de onderscheiding wilde accepteren – een niet erg realistische optie, omdat
Shaffy al jaren in breekbare conditie in een verpleeghuis woonde.
Maar dan ken je Sander niet. Dus Ramses was er
gewoon, onder de hoede van de jongens van Alderliefste, de band die met een
paar nummers van hem de uitreiking luister bijzette. Broze man. Zingen ging
niet meer, pianospelen wel. Zijn ogen twinkelden toen hij werd toegeklapt, een
breekbare glimlach om de mond die ooit die mooie liedjes zong. Zijn laatste
optreden. Ondersteund schuifelde hij terug naar zijn stoel op de eerste rij. Tijdens de borrel zat hij daar nog steeds. Ik bedankte hem namens het bestuur en kreeg een zachte, warme hand.
Sander de Kramer werd in NRC Handelsblad van gisteren uitvoerig geportretteerd door Mark Hoogstad. Beeldverslag van de uitreiking van de Laurenspenning 2009 van TV Rijnmond. De oorkonde die bij de Laurenspenning hoort.
Rotterdam, maandag –
Mijn dongel doet het weer, maar de man van het KPN Business Center die hem aan de praat kreeg, kon niet garanderen dat problemen voortaan uitblijven.
Evenmin kon hij zeggen waarom het ding er na de zomervakantie ineens de brui
aan gaf. ‘Dit is al een oude dongel, meneer. Ik zou u deze nooit hebben
verkocht. In het Business Center verkopen we dit type sowieso niet, want als er
iets mee is kunnen we hem niet repareren en ook niet terugsturen naar de
fabriek,’ zei hij.
Het duizelde mij even.
Oude dongel? Ik heb hem sinds februari. Tot de zomer heeft hij het probleemloos
gedaan, daarna vertikte hij het. Ik ben ermee teruggeweest naar de winkel (zo één
die vroeger Primafoon heette), maar daar konden ze me niet helpen. Ik werd
doorverwezen naar het nummer 06-12001200.
Aan mijn
telefoonrekening is te zien hoe vaak ik daarmee heb gebeld. Mij werd aangeraden
om van de website nieuwe software te downloaden, maar de pagina waarop die zich
zou moeten bevinden, bestond niet (meer). Op een andere pagina leek geen van de getoonde dongels op mijn exemplaar. De typenummers kwamen niet overeen. Ik zou worden teruggebeld. Toen dat
niet gebeurde, belde ik opnieuw – nu tijdens kantooruren omdat om zes uur de
technische dienst sluit. Weer het hele proces doorlopen, weer zou ik worden
teruggebeld.
Dat is nu drie weken
geleden.
Om kwart over tien liep
ik vanochtend het Business Center binnen, om kwart over twaalf wandelde ik weer
naar buiten. Mét mijn oude, nu (maar voor hoelang?) werkende dongel.
‘Voor deze dongel is
nergens software te krijgen,’ zei die man nog.
‘Waarom hebben ze mij hem dan verkocht?’ vroeg ik.
Hij wist het ook niet.
Hij zei nog dat de nieuwe dongels veel beter zijn en dat de mijne eigenlijk
niet goed is, zeker niet in combinatie met een Mac. ‘Geef me dan een nieuwe,’
zei ik, maar daar ging hij niet op in.
Rotterdam, zondag – Elke
keer als ik op de voorpagina van het economiekatern van NRC Handelsblad met
zijn foto de column van Johan Schaberg aangekondigd zie, ervaar ik een schok –
vooruit: een schokje - van herkenning. Ik ken dat gezicht,
waar heb ik het eerder gezien?
In dezelfde fractie van
een seconde weet ik het weer. New York, 2007. Dat wil zeggen: ik herken het
gezicht van een foto in The New York Times. Bernard B. Kerik, onder
burgemeester Giuliani chef van de New Yorkse politie, verdacht van fraude en
machtsmisbruik. Het bericht viel me toen op, misschien ook wel door dat
dwingende portret.
Nu herken ik die Kerik elke zaterdag in het fotootje bij de column van Johan Schaberg.
Hilversum, zaterdag –
Waarom doe ik dit, denk ik, als ik om iets na middernacht in de auto stap en
koers zet naar Hilversum. Een keer per maand vervang ik Nora Romanesco als
presentator van het programma Nachtvluchten dat zijn naam eer aan doet: het wordt uitgezonden
op zaterdagochtend van twee tot zeven uur. Dat doe ik al meer dan een jaar.
Zodoende zit ik nu in
een studio van Radio 1 in het NOS-gebouw op het Mediapark. Straks tussen zes en
zeven heb ik de in 1936 in Rotterdam geboren kunstenaar Theo Kley te gast, in
de eerste vier uren van het programma kondig ik alleen documentaires en
interviews uit het archief aan en af. In het uur van twee tot drie zat net een
aflevering van het programma Tony van Verre ontmoet... C. Buddingh’ uit 1978.
Grappig om de stem van
Kees Buddingh’ weer eens te horen – oud-stadgenoot. Toen ik nog wel eens
uitgevertje speelde, heb ik een verhaal uit de reeks Spekkie & Blekkie –
een strip die Buddingh’ samen met de tekenaar Otto Dicke maakte voor de
dagbladen van Het Kwartet (onder andere Dordts Dagblad) – in boekvorm
uitgegeven. In 1983 was dat.
Het is nu half vier
geweest. Normaal gesproken lig ik op dit tijdstip in bed. Waarom doe ik dit?
Het enige antwoord dat
ik kan bedenken is: omdat ik het leuk vind. (Ik had mijn liefde voor het
radiovak enige tijd verdrongen.) Zoals altijd verheug ik me vooral op het
live-uur straks. Een uur praten met iemand die je niet kent – wanneer doe je
dat? Impertinente vragen stellen – wanneer mag dat?
Rotterdam, donderdag – ‘Bij de Volkskrant wordt gewerkt aan een doordeweekse krant op compact formaat. Hiervoor is een ontwerp ontwikkeld dat we u als abonnee of (ex-)proefabonnee van de Volkskrant graag zouden willen voorleggen,’ schrijft Lia Heller, marktonderzoek de Volkskrant, mij – en naar ik aanneem nog een flink aantal andere abonnees of (ex-)proefabonnees – vandaag in een mailtje.
Op de site waarnaar ik werd verwezen, kreeg ik pagina’s van de verkleinde Volkskrant te zien. Het berliner-formaat – tussen broadsheet en tabloid in – waarmee in Volkskrantkringen enige tijd werd geflirt, is kennelijk definitief van de baan. Jammer, want ik vind van de voorgestelde voorpagina van de Volkskrant op compact formaat weinig urgentie uitgaan... Eén verhaal, aankeilers, een rubriek Voetnoot en een nogal groot uitgevallen streepjescode… Misschien nog wat aan sleutelen…